‘Vannacht hebben we nog een tiental lampjes uitgeblazen, het bleken 4 Japanners en 6 Indonesiërs te zijn die niet stoppen wilden, en er vandoor gingen. Ze hadden kaarten bij zich en wapens en denkelijk spionnen van terreur en roofridder Soekarno, die men in Holland moet aanspreken met Excellentie.’

Toen ik in september 2018 in de studiezaal van het Historisch Documentatiecentrum bovenstaand citaat las, was ik verbaasd. Ik onderzocht een stapel brieven die de gereformeerde militair Adriaan Janse schreef aan zijn ouders in het streng gelovige dorp Gameren. In 1945 was hij als oorlogsvrijwilliger bij de Koninklijke Marine naar Indonesië vertrokken. Hij zou daar orde en rust brengen, strijden tegen ‘ongerechtigheid en terreur’ en ‘ons Indië’ weer opbouwen. Wat begon als een missie met hooggespannen verwachtingen mondde echter uit in een vuile oorlog.

In zijn brieven levert Adriaan sterke kritiek op de kerkelijke situatie in de Gereformeerde Kerken na de Vrijmaking in 1944. Volgens hem is de situatie treurig: de dominees zouden zich beter kunnen inzetten voor militairen of voor de zending in plaats van ruziën over ‘verborgen zaken’. Niemand wordt beter van die ruzies, alleen de kapitalist en de communist profiteren van de onenigheid, zo schrijft hij.

‘Maar ja die zwartrokken zijn ook, de meeste tenminste, meer dominee voor de centen als voor het geen waar het om gaat, en trouwens dat zie je zelf wel weer en ik zal er daarom maar niet verder over lullen, wandt dan zou ik nog heel wat kunnen zeggen, zowel van daar als van hier.’

Ook veel legerpredikanten deugen niet. Volgens Adriaan zie je hen alleen in de sociëteit bij de dames en officieren, maar bekommeren ze zich weinig over de militairen. Het conservatief-christelijke Gameren ontkomt evenmin aan zijn kritiek. Zijn missie biedt hem een weidser perspectief op de wereld, hij voelt er daardoor weinig voor om zijn leven na terugkomst te slijten ‘tussen een stel stomme boeren […]Als je goed bekijkt snap je niet hoe je het er zo lang heb volgehouden, maar je wist niet beter.’

Ondanks zijn openhartige kritiek breekt Adriaan niet met zijn geloof. Hij probeert, zo schrijft hij, zondige verleidingen te weerstaan door regelmatig naar de kerk te gaan, te bidden en vast te houden aan zijn opvoeding. ‘Als je zelf niet sterk staat, ben je weg’, zo vat hij zijn visie samen. Wat zijn ouders hem hebben geleerd, houdt hij ook in de oorlog vast.

Terug naar het begincitaat, afkomstig uit een brief van 23 mei 1946. Blijkbaar verwachtte ik niet dat de gereformeerde Adriaan Janse zo nonchalant zou schrijven over het neerschieten van tegenstanders met een eufemisme beschreven als het ‘uitblazen van hun lampjes’. Hoe kan het dat Adriaan, die zijn ouders vele malen geruststelde dat hij regelmatig de kerk bezocht, zo achteloos over geweld schreef? Ook elders schreef hij vol trots over een militaire actie waarbij de Indonesische tegenstander met vlammenwerpers op de vlucht zijn gejaagd. Waarom had hij wél felle kritiek op de scheuring in de Gereformeerde Kerken en het gedrag van legerpredikanten maar reflecteerde hij weinig op zijn eigen geweldsdaden?

De brieven van Adriaan zetten mij aan het denken. Is het eigenlijk wel terecht om te denken dat gelovige militairen minder makkelijk geweld accepteerden? Wat betekende geloof eigenlijk voor de jonge militair? Dacht hij na over de relatie tussen geweld, oorlog en geloof? Het zijn deze vragen die ik in de komende jaren ga onderzoeken in mijn promotieonderzoek. Studie van egodocumenten, zoals de brieven van Adriaan Janse, geven waardevolle antwoorden op deze vragen. Maar vooralsnog werpen ze vooral vragen op die verder onderzoek en vergelijking nodig maken.

Deze column verscheen eerder op de website van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *